Antropomorfisme

antropomorfisme (o.)1 het beschouwen van andere wezens onder menselijke gestalte;
(in 't bijz.) voorstellingen van God in menselijke vormen,
het toeschrijven van menselijke opvattingen,
hartstochten enz. aan God, of aan andere wezens (dieren);
2 leer die het menselijke tot maat van alle dingen maakt;*

Het is al millennia een integraal deel van ons leven dat wij, als mens, andere dieren verzorgen. Dit zou ons ook een bijzonder goed inzicht moeten verschaffen in de daadwerkelijke noden van deze dieren en toch leeft antropomorfisme waarschijnlijk nog sterker dan ooit. Dit zal ongetwijfeld aan verschillende factoren liggen: culturele opvatting, marketing en reclame, persoonlijke “gevoeligheid” en natuurlijk ook onwetendheid speelt een belangrijke rol. En toch, met meer informatie dan ooit van tevoren tot onze beschikking en met maar de druk op een knopje, blijft antropomorfisme nog altijd zo sterk spelen.

Overal staan paarden op stal met dekens op – en dat met een temperatuur buiten van aardig boven de 10˚C; deze zelfde paarden worden dan op de wei gezet, met dezelfde dekens op, waar ze dan alle ruimte hebben om zich warm te houden – of misschien zelfs, desnoods, afkoelen. Alleen dat kunnen ze niet; de eigenaar heeft een deken erop gelegd omdat het winter is… Let wel, ik ben niet tegen een deken waar er duidelijk een noodzaak is, maar de noodzaak blijft feitelijk beperkt tot zieke paarden die door bewegings- of spijsverteringsproblemen, hun temperatuur niet kunnen opkrikken.

Onze paarden worden binnengehaald ‘s nachts en lekker knus op een strobedje te slapen gelegd. Want ieder paard heeft ook zijn nachtrust nodig, evenals wij. Of toch niet? Paarden zijn in feite nachtdieren; zij zien veel beter in het donker dan wij; overdag vallen wel bewegingen op maar de angst voor een lapje plastic of een flesje dat er vanmorgen niet lag, komt onder andere door het minder goed zien in (het verblindend) daglicht. Paarden zullen van natuur beter ‘s nachts wakker kunnen blijven – des te sneller ze dan kunnen vluchten bij het indringen van een prooidier. Overdag blijft het probleem maar alertheid kan makkelijker bij een klein deel van de band/kudde liggen terwijl de rest slaapt, rust of eet. Dit levenspatroon wordt bevestigd door studies met paarden voorzien van GPS recorders.

Bij het ‘s nachts op stal zetten, lijkt het ook geen bijzondere aversie op te wekken dat wij onze paarden opsluiten in een ruimte waar ze geen fysieke contact meer hebben met hun soortgenoten en waar de ruimte ze krijgen te vergelijken is met een mens in een telefooncel; en dit vaker voor periodes tussen 10 en 20 uur per dag (zou jij je kinderen op de WC opsluiten voor een hele dag?)

Paarden, vooral pension- en manegepaarden, worden volgens het menselijke patroon van twee/drie maaltijden per dag gevoerd. Twee goede maaltijden van een ruim hoeveelheid brok of muesli met een handje hooi erbij zou een paard heel effectief door de dag moeten brengen. Wij eten maar een paar keer op een dag, honden en katten ook, dus waarom onze paarden niet.
Omdat paarden een geheel ander spijsverteringssysteem hebben. Om te beginnen, een paard produceert geen speeksel bij het zien van eten; pas als er iets in de mond ligt, zal het paard speeksel produceren – wat geeft ook te denken aan de nadelen van een bit. Brokken en granen presenteren weinig mogelijkheid om te goed kauwen en dus voldoende speeksel produceren; dit op zijn beurt laat de maagsappen ook laat op gang komen en uiteindelijk komt dit half-gemalen massa in de dunne darm en de caecum terecht. De caecum is de sleutel tot het overleven van het paard. Hier bevindt zich een ware soep aan microben en bacteriën die de celwanden van grassen effectief afbreken en hierdoor energie produceren. De zetmeel- en suikerhoudende graanmassa zorgt ervoor dat de zuurgraad in de caecum van een normale 7pH snel kan dalen tot een dodelijke 3 – 3,5pH. Met deze zuurgraad gaan de microben en bacteriën massaal dood; gelukkig niet allemaal maar de effecten zijn schrikbarend. Ook de natuurlijke doorgang van voedsel wordt verstoord – normaliter duurt het tussen 36 en 72 uur voor voedsel het gehele spijsverteringskanaal te passeren. Om alles in evenwicht te houden, hoort het paard dus vrijwel continu dag en nacht toegang tot hooi en of gras te hebben; het liefst taaie voedingsarm grassoorten en niet het rijke raaigras zo gelieft door de zuivelboeren. En hieruit wordt de volgende mythe geboren – als mijn paard de gehele dag kan eten, wordt ie gewoon veel te dik. Een paard dat uitsluitend op goede, voedingsarme, gras- en hooisoorten gevoerd wordt, wordt absoluut niet dik. Wel zal een natuurlijk levend paard reserves opbouwen in de zomer en opmaken in de winter wat resulteert in een dikker paard aan het einde van de zomer en een schraal dier aan het einde van de winter – maar dit is hoe de natuur het ook bedoeld.

En tot slot, het paard moet altijd schoon, vers, liefst niet te koud, water hebben. Toegegeven, het staat ook in de wet dat er te allen tijde voldoende drinkwater beschikbaar moet zijn, maar geef het paard nu de keuze tussen een schoon bakje water verwarmd tot 18˚C of koude slootwater waar de algen erop drijven, zal de meerderheid paarden voor het laatste kiezen. En waarom? Omdat het natuurlijk is, bevat mineralen en bacteriën die het paard waarschijnlijk kan gebruiken, en in alle waarschijnlijkheid, smaakt het veel beter! Er heerst ook een paniek onder eigenaren dat het paard koliek zal krijgen door het drinken van (ijs)koud water – maar paarden in het wild hebben dit fenomeen al millennia overleeft en evenals jij en ik, als de eerste slok pijn achter de ogen geeft, gaan we wat voorzichtiger met de rest…

 

 

 

 

*van Dale Groot Woordenboek de Nederlandse Taal (12e herziene druk)

Leave a Reply