Hoefbevangenheid

Misschien de meest gevreesd van alle paardenaandoeningen, hoefbevangenheid wordt voornamelijk waargenomen in twee types die wij als ‘schok’ en ‘toxisch’ zullen bescrijven. Hoefbevangenheid, ookwel bekend als laminitis –literaal ‘lagenontsteking’– is de ontsteking van de “laminæ” of lagen die de hoefwand met het hoefbeen verbinden. In lichte gevallen, is het simpelweg poijnlijk; in zware gevallen, de hoefwand zal van de hoefbeen loslaten en om het been heen roteren – vaker onjuist als ‘hoefbeenrotatie’ beschreven. Hoefbevangenheid tast wel eens alleen de voorhoeven aan; meestal zijn het de acuut en/of zware vormen die de achterhoeven ook aantasten. Zelden tast hoefbevangenheid alléén de achterhoeven aan.

Hoefbevangenheid gedefinieerd


Schok hoefbevangenheid is als gevolg een verhoogde blootstelling aan  zware schokken en is feitelijk in de basis een zware kneusing die in een ontsteking resulteert.

Toxische hoefbevangenheid, is in de meeste gevallen een ‘luxe’ aandoening; in het algemeen beperkt tot paarden die men ‘goed verzorgd’ geacht, deze vorm van hoefbevangenheid is veel te vaak als gevolg van opsluiting en een slecht diëet. In een klein aantal gevallen, is het als gevolg het paard onopzettelijk blootgesteld aan ongeschikd voer (bijvoorbeeld, het paard dat ontsnapt en de graanvoorraad van de buurmans kippen verslindt!).
Medicijnen kunnen ook hoefbevangenheid veroorzaken, de best bekend zijde enigen ontstekingsremmers vaker gegeven om juist hoefbevangenheid voor te komen of behandelen. Het moet wel opgemerkt worden dat, in het algemeen, het is niet het antiontstekingsmiddel alleen dat de oorzaak vormt maar liever de combinatie met opsluiting die vaker erbij voorgeschreven wordt.
Een andere oorzaak kan dracht en geboorte zijn. Een drachtige merrie heeft een verhoogde kans op hoefbevangenheid vanwege het ‘vreemde lichaam’ dat ze draagt en zijn eigen gifstoffen. Als, na de geboorte, de nageboorte niet volledig uitgestoten wordt, kan dit ook een bevangenheidsreactie veroorzaken. Zoals bij de meeste vormen van toxische bevangenheid, het grootste risico voor de merrie is wanneer ze opgesloten staat en haar diëet onjuist is; aan de andere kant, het onvoltooid uitstoten van de nageboorte is een drachtgerelateerd risico.
Tot slot, PPID (Pituitary Pars Intermedia Dysfunction, voorheen bekend als de ziekte van Cushing) kan bij toxische hoefbevangenheid ook een rol spelen; het paard wordt insuline-resistent wat resulteert in vergelijkbare symptomen als men bij een “suiker-overbelasting” in paarden met een ongeschikt diëet ziet. Hypothetisch gezien, valt PPID waarschijnlijk ook in de categorie ‘luxe aandoeningen’. De oorzaak van PPID is naar alle waarschijnlijkheid diëetgebonden en is niet veel meer dan een onomkeerbare suiker-overbelasting later in het leven.

Definities definiëren

Er is vaker misverstand wanneer het aanvang en de zwaarte van hoefbevangenheid besproken worden. Er zij drie woorden die de oorzaak van veel verwarring zijn::
Acuut : dit is simpelweg de snelle aanvang van een ziekte (vaker in luttele uren) en geeft geen indicatie van zwaarte.
Chronisch : nogmaals, een referentie naar de tijd, chronisch beschrijft iets langduring or herhaldelijk en is ook geen indicatie van zwaarte.
Zwaar : wat het zegt op de verpakking…maar niet aan snelheid van aanvang noch langdurigheid van de ziekte. Het tegenovergestelde van zwaar, is licht.

Identificatie


Aanvankelijk kan het identificeren van hoefbevangenheid heel moeilijk zijn. Als de aanvang niet acuut is, kan het paard in het begin simpelweg een beetje mank lijken te zijn; echter dit mank zijn zal normaliter in beide voorhoeven merkbaar zijn – het is heel raar dat eenzijdig kreupelhied als gevolg van hoefbevangenheid is. Deze kreupelhied zal steeds erger worden en het paard zal een stationaire houding beginnen aan te nemen om druk op de voorhoeven de vermijden.

Behandeling


Hoefbevangenheid is niet makkelijk te behandelen en dit zal de reden zijn waarom, in het verleden, zoveel paarden werden ingeslapen zo snel naar het vaststellen van de aandoening. Nog altijd op de dag van vandaag, veel paarden worden ingeslapen op raad van de dierenarts omdat de aandoening niet over lijkt te gaan of soms zelfs nog erger lijkt te zijn.
Zelfs wanneer het snel aangepakt word, kan hoefbevangenheid heel erg destructief zijn voor de hoefstructuren; duidelijk mag zijn dat voorkomen veel beter is dan genezen. Maar het kan behandeld worden; maar niet op de manier aanbevolen door de meeste dierengeneeskundigen. Er bestaat een hele sterke neiging om het paard in een stal op te sluiten, zijn beweging te beperken en of ‘egg-bar’ of omgekeerde ijzers toe te passen om de effecten van ‘hoefbeenrotatie’ tegen te gaan.
Gezien het paard waarschijnlijk veel te veel ongemak ervaart om zich te verplaatsen, is het opsluiten zowel zinloos als averechts. Door het paard te isoleren, worden de al aanwezige fysiologische problemen nog vergezeld van psychologische problemen. Bovendien, door hem op te sluiten in een stal, de hoeven van het paard worden blootgesteld aan een degeneratieve omgeving van uitwerpselen en, zou de zool perforeren, dit is heel duidelijk de laaste plaats waar het paard zich zou moeten vinden. Voorts, de gifstoffen die de ontsteking veroorzaken, moeten uit de hoef gespoeld worden, wat alleen gebeurt met een goed circulatie; opsluiten zwaar beperkt de circulatie.
Het toepassen van welk soort ijzer dan ook vertoont een compleet ontwetendheid van de hoef, zijn mechaniek en zijn functie. Zelfs voor diegenen die beweren dan de hoefbeen ‘hangt’ in de hoef, moet het helder zijn dat de bevangen hoef, waar hoorn and been worden gescheiden,  kan op geen enkele manier het gewicht van het paard dragen. En toch dringen deze mensen op het toepassen van ‘orthopedische’ ijzers (een nonsens uitdrukking waardig aan Lewis Carroll).

Dus moet het duidelijk zijn dat de eerste stappen zijn in het verwijderen van de ijzers, wanneer aanwezig, en het paard op wei te zetten.
Echter, het paard mag niet op een rijke weide komen te staan; als het gras een hoge suikergehalte bevat, zal dit de hoef waarschijnlijk blijven aantasten en het probleem verergeren. Een korte, goed-begraasde wei is een veel beter alternatief dat verzekerd het paard van eten maar ook dwingt hem om het te gaan zoeken. Zowel de beweging als de kleine hoeveelheid voeding zullen voordelig zijn voor het paard. Beperk niet het diëet van het paard en geef geen commerciële voer. Alleen gras en, eventueel, hooi.

Zorg dat de hoeven zo getrimd worden dat de verzenen (de ‘hakken’) tot het minimum verlaagd worden – dit wordt het beste gedaan over een periode van enkele dagen en niet direct in één keer – en dat de hoefwand het gewicht van het paard niet draagt. Dit laatste is een van de grote twistpunten voor de traditionele dierengeneeskundige/hoefsmidwereld; de hoefwand is niet gewichtsdragend, zelfs niet in de gezonde hoef, dus belasten wanneer de hoef ongezond is, en voorla wanneer de verbinding tussen hoefwand en onderliggen hoefbeen zo verzwakt is, zal het probleem alleen maar verergeren.

Het paard moet onder deels aanhoudend toezicht blijven om ervoor te zorgen dat hij voldoende beweging krijgt en de hoeven moeten heel regelmatig (zo vaak mogelijk) bijgehouden worden om de beschadingende effecten van de ontsteking voor te blijven.

Herstel

Dit kan lang en langzaam zijn. Zelfs bij paarden waar hoefbevangenheid heel vroeg geconstateerd wordt, kan er voldoende beschadiging zijn on het herstelproces heel moeilijk te maken. Eenvoudig gesteld, de hoefwand moet opnieuw groeien om de lijn van het hoefbeen te volgen (de hoefwand kan zich niet opnieuw verbinden aan het hoefbeen; alleen de nieuwe groei, vanuit de kroonrand, is gehecht). In het algemeen, dit proces neemt ongeveer een jaar in beslag (de tijd nodig om een compleet nieuwe hoef te laten groeien) maar, afhankelijk van de ernst van het bevangenheidsaanval, kan dit gecompliceerd raken door de vorming van hoefzweren en het herbouwen van inwendige structuren die, op hun beurt, kunnen leiden tot vervorming van de vooral de zool. Het is een proces dat twee jaren, en soms wel duidelijk meer, in beslag kan nemen voordat er echte blijvende tekenen van herstel zichtbaar zijn.

Prevention


Het mag wel helder zijn dat vermijden niet zo toepasbaar is bij ongelukken – zoals bij het paard dat onstnapt en verslindt de graanopslag van de buren. Maar vrijwel elk andere omstandigheid is mogelijk te vermijden – zelf schok-bevangenheid. Een beslagen hoef kan de niet de slag op de grond dempen zoals hij bedoeld is en dit kan de oorzaak zijn van schokbeschadiging. Een onbeslagen paard vragen om over een steenrijk of rotsachtig pad stelt ook de hoef aan onnatuurlijke belastingen bloot. Het antwoord is dus nimmer een paard beslaan maar ook nimmer een paard vragen om iets te doen dat hij met zijn eigen gezond verstand nooit zou doen.

Opsluiten in een stal vermindert de bewegingsvrijheid van het paard en dus ook zijn verbruik van de suikers opgenomen. De meerderheid van opgeloten paarden wordt ook een totaal ongeschikt diëet gevoerd – commerciële voeders met granen, cerealen, melasse en andere vormen van zetmeel en suikers. Dit allemaal creëert een suiker-overbelasting.
In het vroege voorjaar, deze paarden die gedurende de gehele winter, worden op wei gezet waar het gras heel suikerrijk is – iets wat de suiker-belasting helemaal op tilt zet… Het antwoord hier is ten eerste, paarden moeten nooit in stallen opgesloten worden – niet eens voor een deel van de dag; ten tweede, ze horen niets anders te eten dan grassoorten en, wanneer er een te kort aan gras is, hooi; ten derde, raaigras en andere hoge-productie grassen moeten vermeden worden – deze zijn voornamelijk bedoeld om melk- en vleesproductie bij vee te verhogen, ook ten koste van hun algemene gezondheid (hoefbevangenheid is ook onder vee bekend); ten vierde, paarden horen tijdens de wintermaanden niet overgevoed te worden.insuling resistance Dit laatste is altijd heel omstreden onder paardeneigenaren; het gemiddeld paard, evenals zijn menselijk evenknie, is overgewicht en, voor welke reden dan ook, wij zien ‘liever’ onze paarden te zwaar. De meeste mensen, paarden welzijnsorganisaties meegerekend, weten niet op welk punt een paard feitelijk te zwaar is  – de twee lichaamsscore indices in algemeen gebruik, de vijfpunts-schaal gehanteerd door verschillende organisaties en de Henneke negenpunts-schaal, zetten beide het gezond paard veel te hoog op de schaal. De reden waarom het paard gedurende de winter niet overgevoerd moet worden is heel eenvoudig en heel natuurlijk. Het is op deze manier dat het paard geëvolueerd is en door zijn voeropname in de winter te verminderen, de cyclus van de insuline-resistence wordt doorbroken. Deze cyclus bevat het opnemen van suikers tijdens de groeimaanden van het jaar, waardoor de suikerpeil in het lichaam stijgt; met de komst van de winter, de hoeveelheid suiker opgenomen wordt aanmerkelijk verminderd wat leidt tot een ‘reset’ van het lichaam waardoor het klaar is om opnieuw te beginnen het volgend voorjaar. Het paard dat blijft dooreten tijdens de winter krijgt deze essentiele restet niet en dus, met de lente, de verhoogde suikers aanwezig in het gras gaan bovenop het al overbelast systeem.
Het voeden van commerciële voer voegt ook nog een schep er bovenop.

De juiste behandeling van een verdacht geval van hoefbevangenheid gaat ook heel veel bijdragen aan het voorkomen; vermijden van het geven van ontstekingsremmers, het toepassen van welk beslag dan ook, of het opsluiten zijn drie heel belangrijke factoren vaak negeert door de conventionele dierengeneeskunde.

De drachtige merrie moet, evenals elk ander paard, nooit in een stal opgesloten worden. Zij moet altijd de vrijheid hebben om met haar medepaarden te lopen in zo groot een ruimte als mogelijk is en niet te worden opgesloten alsof ze ziek is. Dit alleen zal voldoende zijn om de kans op hoefbevangeheid aanzienlijk te verminderen maar, om de kans bijna geheel uit te sluiten, de merrie moet geen commerciële voeders gevoerd krijgen; daar heeft ze geen behoefte aan. Als het gras schars is, dan is hooi voldoende om bij te voeren. Alles onnatuurlijk is ook onnodig.

Het onberekenbare risicomoment voor de drachtige merrie is post-partum – wanneer ze feitelijk niet meer drachtig is; als de nageboorte niet geheel uitgestoten wordt, kan deze een toxische reactie geven; het is daarom van uiterst belang om de nageboorte te controleren na de bevalling en, bij twijfel, de dierenart erbij roepen.